Tellen buitengerechtelijke kosten mee voor de bevoegdheid van de kantonrechter?

De kantonrechter behandelt in beginsel geldvorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,–. Is een vordering hoger, dan kan een eiser ervoor kiezen om de vordering te beperken om toch bij de kantonrechter te kunnen procederen. In de praktijk wordt de vordering dan bijvoorbeeld beperkt tot € 24.999,–.

Maar hoe zit het met de buitengerechtelijke kosten? Tellen die mee bij de grens van € 25.000,– of kunnen deze kosten boven op de hoofdsom worden gevorderd?

Een recente uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant geeft daarop een duidelijk antwoord.

Schade door wateroverlast

De zaak ging over schade aan landbouwpercelen als gevolg van wateroverlast. Tijdens extreme regenval had het waterschap de schuif van een waterberging open laten staan. Het waterschap wilde daarmee ruimte in de waterberging beschikbaar houden voor mogelijke verdere regenval en zo een nabijgelegen dorp beschermen.

De kantonrechter oordeelde echter dat het waterschap geen voldoende zorgvuldige belangenafweging had gemaakt. Bij de afweging was alleen gekeken naar de bescherming van het dorp en niet naar de belangen van de eigenaren van de omliggende landbouwpercelen.

Volgens de kantonrechter had het waterschap bij zijn beslissing rekening moeten houden met alle relevante omstandigheden, waaronder de weersverwachting, de waterstanden, de begroeiing en het risico op overstroming van omliggende percelen. De kantonrechter kwam tot het oordeel dat het waterschap zijn zorgplicht had geschonden en aansprakelijk was voor de ontstane schade.

Vordering beperkt tot € 24.999,–

Procesrechtelijk bevat de uitspraak een interessante overweging.

De eisers hadden hun vordering beperkt tot € 24.999,– om behandeling door de kantonrechter mogelijk te maken. Daarbij hadden zij geen onderscheid gemaakt tussen de hoofdsom en de buitengerechtelijke kosten.

De kantonrechter overweegt in rov. 4.14:

“De posten (overige) wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten worden gezien als nevenvorderingen en mag de kantonrechter bovenop het bedrag aan hoofdsom toewijzen, ook als het totaal daardoor boven de € 25.000,00 komt.”

Volgens deze uitspraak tellen buitengerechtelijke kosten dus niet mee voor de bevoegdheidsgrens van de kantonrechter wanneer zij als nevenvordering naast de hoofdsom worden gevorderd.

Voor wettelijke rente geldt een belangrijk onderscheid. De rente die tot de dag van dagvaarding is verschenen, telt wel mee bij het bepalen van de bevoegdheid van de kantonrechter. De rente over de periode daarna kan als nevenvordering worden toegewezen.

Let op de formulering van het petitum

De uitspraak bevat daarmee een nuttige reminder voor de procespraktijk.

Wie een vordering beperkt om bij de kantonrechter te kunnen procederen, doet er goed aan nauwkeurig te kijken naar de opbouw van de vordering en de formulering van het petitum.

In deze zaak hadden de eisers hun totale vordering beperkt tot € 24.999,–. De kantonrechter stelde vast dat de buitengerechtelijke kosten als nevenvordering boven op de hoofdsom hadden kunnen worden toegewezen. Omdat de eisers hun totale vordering echter zelf hadden beperkt tot € 24.999,–, kon de kantonrechter niet méér toewijzen dan was gevorderd.

De uiteindelijke veroordeling bleef daarom beperkt tot € 24.999,–.

Meer dan alleen een procesrechtelijke uitspraak

De uitspraak is ook inhoudelijk interessant. De kantonrechter behandelt verschillende belangrijke onderdelen van het aansprakelijkheidsrecht, waaronder de zorgvuldigheidsnorm bij overheidshandelen, de belangenafweging door een waterschap, toerekenbaarheid, relativiteit, causaliteit, eigen schuld en de vergoeding van deskundigenkosten.

Daarmee is het een interessante uitspraak op het snijvlak van aansprakelijkheidsrecht en procesrecht. De procesrechtelijke les is in ieder geval praktisch: wie een vordering beperkt om toegang tot de kantonrechter te behouden, moet niet alleen naar het totaalbedrag kijken, maar ook naar de afzonderlijke onderdelen van de vordering en de precieze formulering van het petitum.

Rechtbank Oost-Brabant 30 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2710.

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven